dinsdag 27 september 2016

MO1 20 september 2016

Wat drijft …..mij
Wat een mooie vraag.
Volgens Veenbaas & Weisfelt (2006) gaat het bij persoonlijk leiderschap over de identiteit van de leider die blijkt uit het waarneembaar gedrag. Zij stellen hierbij dat iemand in staat is een leider te zijn als degene efficiënt zijn persoonlijkheid weet in te zetten.
Ik ben een witdenker volgens de indeling van Caluwe, een idealist, ik denk na vanuit maatschappelijk belang over de toekomst en wil hier bewust richting aan geven.  Dit bepaalt ook voor een groot gedeelte mijn leiderschap, ik wil richting geven aan de toekomst van de school, de betrokken mensen en de omgeving.
Van Loon (2010) vertaalt ‘ richting geven’  in de rol van ondernemer. Een ondernemer die richting geeft aan de toekomst, de koers bepaalt, innoveert en integreert, beweging brengt. Met de oprichting en start van deze nieuwe school komen deze zaken samen en vraagt dit ook ‘ iets nieuws’  zien, visionair zijn, een visie hebben. Ik heb een duidelijke visie, dat heeft zich inmiddels vertaald naar een uitgeschreven concept, dat verkort heet: 247 graden-leren; iedereen leert altijd en overal.
Van Loon (2010) geeft aan dat leiderschap het verschil kan maken door aspecten die eerder gescheiden waren opnieuw te zien en anders aan elkaar weet te verbinden. Onderwijs is een plek en een systeem waar alles lijkt samen te komen.
De uitwerking van mijn idealisme in ‘ 247graden-leren’  vindt de inspiratie in de meest uiteenlopende terreinen en op de meest verschillende vlakken. “ Inspiratie is belangrijk voor succesvol leiderschap” (Van Loon, 2010, p. 48). Volgens Van Loon (2010) zijn visie en inspiratie elkaars verstekende factor, waardoor een leider een sterk innerlijk fundament heeft, verankerd is en in staat tegenslagen en tegenwerking te doorstaan. Ook Covey (2005) benadrukt dat het essentieel is visie te hebben om richting te kunnen geven aan een organisatie en aan mensen. Hij benoemt doelgerichtheid als weten wat je wilt en bij de doelen uit te komen door je te concentreren en te verbinden en met de juiste energie pro-actief zijn.
Inspiratie levert ook vragen op: vragen aan mezelf, vragen aan werknemers, vragen aan de organisatie en vragen aan de gemeenschap. Het gaat over leren en ontwikkelen op verschillende terreinen en hiermee denk ik zeker te kunnen voldoen aan het dubbelloop leren. Het gaat erom samen met iedereen steeds meer en beter de stip aan de horizon te kunnen zien, steeds scherper kijken, steeds een beetje dichterbij komen om weer beter en scherper te kunnen zien.
Leithwood (2012) geeft hierbij essentiele praktijken:
×        Ondersteuning bieden en rekening houden met ruimte geven aan individuele teamleden
×        Stimuleren van ontwikkeling van de professionele capaciteit van het team
×        Een rolmodel zijn voor leraren, leerlingen en ouders op het gebied van de waarden van de school en gewenste onderwijspraktijken
×        Bouwen aan relaties op basis van vertrouwen met en binnen het team, leerlingen, studenten en ouders
×        Bouwen aan relaties met de omgeving
Met mijn onderwijsinrichting denk ik aan bovenstaande praktijken te kunnen voldoen, het zijn zaken die steeds in mijn achterhoofd spelen en mijn handelen bepalen.

Mijn focus ligt hierbij op het versterken van de onderzoekende cultuur:
-        Learning community vergt onderzoekende cultuur
-        Lerarenmotivatie psychologische factor voor het leren van leraren en dus voor onderwijsverandering
-        Samenwerking tussen leraren blijkt sleutelfactor in bevorderen van de motivatie van leraren om te leren
-       Leiderschap positieve invloed op zowel de motivatie van leraren op hun leren
Creëren van een onderzoekende cultuur vergt co-creatie van de schoolleiding, de leraren en andere partners (leerlingen, ouders, bestuur) (Halin) en leren van leraren (Kruger) dus bouwen aan relaties (Leithwood, 2012).
Een mooi plaatje is de verbeelding van opgaan en verzinken.
> opgaan: leren van nieuwe dingen > blinken: straalt, gaat doet, neerzetten (flow)
> zinken: rust, iets kunnen, weten, er rust in ervaren.
Uiterlijke levenslijn: laten zien wat je neerzet in de wereld: wie je bent, wat je doet, hoe je woont, etc…hoe je je neerzet in de context
Innerlijke levenslijn: wie je in essentie bent en waarmee je je uiterlijke levenslijn vorm geeft, waarden, normen, identiteit.

In mijn nieuwe school, met een nieuw onderwijsconcept kan ik dus ook nieuw beginnen. Er is nog geen geschiedenis van deze school, echter brengt wel iedereen de eigen biografie binnen.
Er zijn verschillende fases benoemd waarin werknemers zich kunnen bevinden, hun eigen context.
Startfase: startende leerkracht
Spitsuurfase: leerkracht met startend gezin
Stabilisatiefase: ervaren leerkracht (uitbreiden)
Seniorfase: seniorleerkracht (uitdragen)
Prepensioenfase: pensioen in zicht (uitrollen)
Ik heb voornamelijk werknemers die jong zijn, net een gezin hebben of nog niet, wel enkele jaren werkervaring meebrengen.
Steeds wil ik het collectieve belang voor op stellen: het leren van kinderen centraal stellen. Dat maakt dat ik zeker rekening moet houden met de verschillende fases en levenslijnen van werknemers. Met de specifieke inrichting van de organisatiestructuur denk ik dit te kunnen waarmaken.
De organisatiestructuur berust op de kenmerken van een netwerkorganisatie, gericht vanuit werken vanuit interesse, doen waar je hart ligt, in een flow komen, waarbij de innerlijke levenslijn en de uiterlijke levenslijn dicht bijelkaar kunnen komen. Er moet een inrichting zijn, een structuur, waarlangs de resultaten bereikt kunnen worden en een klimaat, een cultuur, waarbinnen mensen dat willen en kunnen. Van Loon (2010) geeft aan een leider in zijn rol als manager een gerichtheid heeft op de structuur van de organisatie doelen en resultaten te kunnen bereiken. Deels sluit dit ook aan bij Scheerens (2010) die aangeeft dat innoveren ook een organisatiestructuur nodig heeft. Ik denk echter dat dit ook op een natuurlijke manier kan, volgens een ecosysteem, zoals Durst en Poutanen (2013) dit bedoelen; vanuit een gedeeld belang kan innovatie als vanzelf komen. Als er veel verbonden deelnemers met een gezamenlijk doel bijeen zijn kan men spreken over een ecosysteem. Een ecosysteem met een duurzame uitwisseling tussen intern en extern, een netwerkorganisatie.
Werknemers krijgen een grote mate van autonoom handelen waarbij zij hun taakverantwoordelijkheid en taakgreichtheid af kunnen stemmen op de op de mogelijkheden van de eigen context.  


Geen opmerkingen:

Een reactie posten